Make your own free website on Tripod.com

De Arachniden - Systematiek

The Arachnids - Systematics



Over Theorieën van Dierengedrag...


De kennis van ons eigen gedrag komt voor uit twee bronnen: we kunnen onze handelingen bestuderen bekeken door het oog van een buitenstaander, hun gevolgen voor anderen observeren en hun uitwerking op de materie nagaan; of we kunnen wat ons de redenen lijken waarom we ze verricht hebben beschouwen en het opzet, naar we geloven, waarom we ze ondernomen hebben.
Een dergelijk zelfonderzoek kan niet als een methode voor het vergaren van betrouwbare gegevens, waarop een wetenschappelijke hypothese gebouwd wordt, gebruikt worden, daar ze gelimiteerd is tot de observatie van uitsluitend onszelf, een onvoldoende basis.
Wanneer ons gedrag bovendien het observeren waard is, wanneer we bvb honger hebben, boos of verliefd zijn, dan zijn we op deze ogenblikken het minst in staat om een onbevooroordeelde en nuchtere analyse van onze motieven te maken.

De verrichtingen van andere mensen kunnen we uitsluitend van buitenaf bestuderen, een feit dat vele dramaturgen en fictieschrijvers betreuren. Toch is er zo'n opvallende gelijkenis tussen onze handelingen en de handelingen van anderen, dat het redelijk lijkt van de veronderstelling uit te gaan dat ze over een geest, die deze handelingen dicteert, en die op de onze gelijkt, beschikken.
Wij mogen hier niet zeker van zijn en onze onzekerheid kan nogal mild uitgedrukt worden door op te merken, zoals Bertrand Russell gedaan heeft, dat "de meeste mensen eerder zouden sterven dan denken, wat in feite ook gebeurd"; of, indien we het meer emphatisch zouden uitdrukken, zoals de solipsisten doen, die zelfs het bestaan van alle personen, buiten zichzelf, ontkennen.

De verrichtingen van dieren vormen een derde stadium. Deze kunnen uitsluitend van buitenaf bestudeerd worden, maar de overeenkomsten tussen onze handelingen en de hunne is niet zo gelijkend. Men ziet dat mensen zich niet altijd gedragen als dieren in dezelfde omstandigheden en dat dit onderscheid onze twijfel over het bestaan van een dierlijke geest doet toenemen. "Het zou zeer moeilijk zijn," schrijft Dale Collins, "een verhaal te schrijven met een worm als held en binnenin zijn muren van roze huid te gaan om te leren, wat er in zijn lijf omgaat."

Sommige biologen geven geen enkele moeilijkheid toe maar begiftigen de door hen geobserveerde dieren met aangeboren, emotionele of bewustzijntoestanden waarvoor geen rechtvaardiging bestaat.
Zo schrijft bijvoorbeeld de bekende araneoloog Bristowe over een spin die door een stemvork werd aangetrokken het volgende: "De eigenaar van het web kwam onmiddellijk te voorschijn en sprong met een merkelijke opwinding op de vork, hield deze stevig gekneld, beet ze voortdurend en trachtte een zwakke plaats te vinden."

Men kan van de veronderstelling uitgaan dat, wanneer we deze observator vragen waarom de spin de vork zo dikwijls beet, het antwoord zal zijn:"Omdat zij opgewonden was." indien we in onze "boosheid" volharden en vragen "Hoe weet U of ze opgewonden was?",dan zal het enig mogelijke antwoord onmiskenbaar zijn: "Omdat ze de vork zo dikwijls beet."
Van een zelfde standpunt uit bekeken hebben de woorden "trachtte een zwakke plaats te vinden" geen werkelijke betekenis. Het is onmogelijk te weten wat de spin aan het proberen is en het is eveneens moeilijk te voorspellen dat de zachtheid van de vork een gedragsverandering zou teweeg brengen.

Ter verdediging kan gezegd worden dat de schrijver bedoeld dat de spin zich gedraagt als zou zij opgewonden naar een zwakke plaats zoeken; waarop het voor de hand liggende antwoord is, dat, daar woorden geen betekenis hebben, men er goed aan doet deze te kiezen die datgene uitdrukken wat de schrijver wenst te vertellen.

Er dient altijd iets van twijfel te bestaan bij de interpretatie van dierlijk gedrag en de noodzaak voor voorzichtigheid bij de beschrijving van datgene wat men gezien heeft. Er zijn drie manieren waarop men deze twijfels en moeilijkheden kan doen afnemen.

Eén ervan is uit te gaan van de naïeve veronderstelling dat alle dieren bewuste, voelende en strevende subjecten zijn, gelijkaardig aan onszelf en slechts verschillend in graad. Dit is de methode van de vitalisten, zoals MacDougall, die schrijft "De geest, wanneer en waar hij ook bestaat, werkt teleologisch en is dus werkzaam in alle levende organismen, zeker bij de mens en waarschijnlijk bij alle dieren.

De tweede manier bestaat er in er van uit te gaan dat organismen geesteloze automaten zijn, louter fysische objecten geleid door fysisch-chemische reacties, en dat de geest uitsluitend bij de mens voorkomt.
Dit is de methode van alle mechanisten, van Descartes tot Loeb en Pavlov. Het grote voordeel ervan is dat het bestaan van een geest waarvan het bestaan niet van aangetoond kan worden, niet aangenomen hoeft te worden, zodat de weg voor veel experimeenteel werk openligt.

De derde methode bestaat er in er van uit te gaan dat sommige dieren geestesloze automaten zijn terwijl andere over een geest beschikken. Nu zouden beide stromingen tevreden moeten zijn, maar de moeilijkheid om ergens de scheidingslijn tussen beide te trekken rijst op en representeert in een acute vorm het probleem van de relatie tussen geest en lichaam.

Indien men deze feiten grondig beschouwd is het niet verwonderlijk dat er diverse theorieën over dierlijk gedrag bestaan.

Eén hiervan is de Tropismen Theorie. In zijn meest extreme vorm erkent de zuivere tropistische hypothese geest noch teleologisch handelende mentale functies als eindoorzaken of overheersende factoren in het gedrag van een dier. Dit is de essentie van mechanisme. Zijn meest betrouwbare uiteenzetting wordt gevonden in de werken van Professor Jacques Loeb wiens vele experimenten hem er toe aanzetten een theorie te ontwikkelen met twee hoofdberweringen:
(i) De bewegingen van een organisme naar of van het prikkelingscentrum (stimuli) worden veroorzaakt door de werking van de stimulus op de receptoren en door deze op de bewegingsorganen, waarop het dier draait totdat zijn lichaam symmetrisch gestimuleerd is en een evenwicht (equilibrum) tussen de twee zijden verkregen wordt.
(ii) Deze bewegingen ontstaan mechanisch, als een gevolg van fysische en chemische veranderingen in receptoren en effectoren, met geen echte krachtinspanning op dat deel van het organisme.

Loeb trachtte zijn opvatting uit te breiden zodat ze alle dierlijke en zelfs menselijke handelingen kon omvatten, een extrapolatie van mechanistische biologie naar dierlijke psychologie, een neiging om de theorie dermate te overdrijven totdat ze uiteindelijk een karikatuur van een organisme produceerde. Daarom kan als alternatief Kühn's theorie van dierlijke taxis in overweging worden genomen.

Een " taxis " is de beweging van een organisme in antwoord op eenvoudige externe stimuli, zoals licht en zwaartekracht, die gewaarwordingen in het dier voortbrengen. Kühn verdeelde de bewegingen van dieren in vier groepen, die hij als volgt benoemde:
(i) Trophotaxis: het dier richt zichzelf symmetrisch.
(ii) Menotaxis : het dier behoudt een vaste richting met betrekking tot de stimulus.
(iii) Mnemotaxis : bewegingen waarbij het geheugen een rol speelt.
(iv) Telotaxis : bewegingen naar een doel gericht.

Het is duidelijk dat de eerste groep bewegingen nogal nauw aanleunt bij de tropismen van Loeb. Het onderscheid is echter gebaseerd op de idee dat trophotaxis gewaarwordingen omvat, met andere woorden, de veronderstelling wordt gemaakt dat het dier een bewuste waardering van de prikkel die het krijgt, heeft en , bijvoorbeeld, naar het licht toe draait omwille van de gewaarwording van helderheid en niet omwille van de chemische veranderingen die er uit voortkomen.
Een dergelijke opvatting is niet in staat het feit te verklaren dat het gedrag van bepaalde dieren, zoals Eudendrium, in overeenstemming is met de fysisch-chemische wet met betrekking tot de intensiteit van het licht. De gewaarwording van helderheid staat niet in verhouding tot de intensiteit van de stimulus, maar de concentratie van de resultaten van de fotochemische reacties wel en het gedrag van vele dieren stemmen overeen met dit laatste en niet het eerste.

Het essentiële verschil tussen de tropismen en de taxis theorie is een verschil in interpretatie daar de eerste mechanistisch is en de laatste teleologisch. Indien een bioloog zichzelf kan overtuigen, ondanks de onmogelijkheid om over direct bewijsmateriaal van de subjectieve staat van het dier te beschikken, dat het dier een bewuste waardering van gewaarwordingen heeft, dan zal de taxis theorie een aanvaardbare boordeling van vele feiten toestaan.
Kühn stelt, bijvoorbeeld, dat vliegen naar het venster toe bewegen indien ze worden opgejaagd en dat volgens de tropismen theorie een dergelijke plotse verandering in de betekenis van van de reactie niet te verklaren valt, zoals bij elke andere dergelijke verandering, wanneer deze voorkomt als een resultaat van onverwacht naderend gevaar.
Als een aangeboren reactie op "de eenvoudige gewaarwording van gevaar", kan dergelijk gedrag begrijpelijk zijn.

De taxis theorie kan niet door diegenen worden aanvaard die niet erkennen dat er bewijsmateriaal voor het bestaan van de waardering van gewaarwordingen bestaat. Het is nochtans uiterst interessant om eenduidigheid in het gedrag van dieren, die ofwel door tropisme of trophotaxis bewegen, op te merken, daar dit in't verleden voor verwarring zorgde.
Wanner gelijkaardige gevolgen voortvloeien uit verschillende oorzaken, neemt de moeilijkheid voor een juiste verklaring, enorm toe.

De moderne biochemici die de hypothesis van neo-mechanismen steunen, realiseren zich dat ze uitsluitend met hun werk kunnen verder gaan wanneer ze erkennen DAT INDIEN mechanismen waar zijn, maar dat wanneer ze dit erkennen, ze niet naar welke dogmatische bewering ook als naar de natuur van levensprocessen toe gedwongen worden. Op een zelfde wijze kunnen de behaviouristen uitsluitend een filosofisch geldige wetenschap grondvesten waarin experimenteren zijn rol toebedeelt krijgt alsof dieren machines zijn. Zij dienen de resultaten van dierlijke handelingen te bestuderen en het doel ervan als onbekend en onkenbaar te beschouwen..
Het is in dit opzicht dat de Arachnida de ideale diergroep voor de gedragsvorsers vormen daar intelligentie, bewustzijn of "geest" practisch onmerkbaar zijn in al datgene wat ze doen.


After Th.Savory's Masterpiece "The Arachnids"


Email Gie Wyckmans
Deze pagina's © 1999 Gie Wyckmans & Dragon Research&Development
This pages © 1999 Gie Wyckmans & Dragon Research&Development


Home